1.2 Theorie

Een dubbele regenboog in Finland

De natuurwetenschappen proberen de waarneembare wereld om je heen zo goed mogelijk te verklaren. Het doel daarvan is dat je voorspellingen kunt doen. Bijvoorbeeld: als je kunt verklaren hoe een regenboog ontstaat, dan kun die kennis ook gebruiken om een kunstmatige regenboog te maken. Je voorspelt dan dat je voor een regenboog zon en waterdruppels nodig hebt.

Een van de grondleggers van de natuurwetenschappelijke methode: Johannes Kepler

Het gaat dus over de waarneembare wereld. En dat woord zegt het al: je moet kunnen zien (waarnemen) om te kunnen onderzoeken waarom je waarneming zo is.

Dat gebeurt met behulp van de natuurwetenschappelijke methode. In het kort gezegd: Je stelt een vraag, en daar zoek je een antwoord op.

Voorbeeld: De bocht om.
Je zit op je fiets, keurig recht vooruit. Plots kom je een bocht tegen, de bocht is behoorlijk onoverzichtelijk.
Je stelt jezelf de vraag: Hoe moet ik in vredesnaam deze bocht doorkomen? Onderzoeksvraag
Misschien helpt het als ik naar links stuur.

Misschien helpt het als ik naar rechts stuur.

Hypothese 1

Hypothese 2

Eerst maar eens naar links sturen. Experiment
Ik ga de verkeerde kant uit. Waarneming
Dan maar eens naar rechts sturen. Experiment
Ik ga de goede kant uit.

Maar ik kom toch in de bosjes terecht.

Waarneming

Waarneming

Door naar rechts te sturen beweegt mijn fiets in de juiste richting om de bocht te nemen. Maar het is niet genoeg. Ik kom toch in de bosjes terecht als ik zo doorga. Conclusie
Stuur ik wel sterk genoeg? Onderzoeksvraag

 

De natuurwetenschappelijke methode

Een voorbeeld van de natuurwetenschappelijke methode kom je tegen in de voorbeelden op deze pagina.

Natuurwetenschappelijke methode
De natuurwetenschappelijk methode als stappenplan.

Zonder het te weten pas je hem al toe vanaf het begin van je leven. Kinderen die net leren fietsen komen daar vaak (hardhandig) achter. De natuurwetenschappelijke methode start altijd met een vraag.

Dat kan een opzoekvraag zijn, het antwoord vind je dan op internet, of in een boek. De informatie in die boeken of op internet is dan meestal al verzameld doordat iemand anders onderzoek heeft gedaan naar jouw vraag.

Een ander soort vraag is de onderzoeksvraag. Onderzoeksvragen kun je alleen beantwoorden door middel van een experiment. Je kunt dan niet meer terugvallen op het onderzoek van iemand anders.

Na het stellen van een vraag stel je de hypotheses op. Een hypothese is een mogelijk antwoord op je onderzoeksvraag. Een goede hypothese kan alleen onjuist of juist zijn.

Je probeert vervolgens aan te tonen dat je hypothese onjuist is. Dat doe je door middel van een experiment. In dat experiment doe je waarnemingen waarmee je probeert aan te tonen dat je hypothese onjuist is.

Als je de conclusie trekt dat je hypothese onjuist blijkt, ga je aan de slag met de volgende hypothese.

Babytijd

De overpeinzingen van de gemiddelde baby.

Hee, wat is dat?
Misschien kun je het eten.
Of is het grappig.
Misschien glimt het wel mooi.

Eerst maar eens proeven.
Hmm. Nauwelijks interessant.
Misschien ermee slaan.
Hij piept!
Conclusie: Humor!

Geen licht
Je haalt thuis een lichtknop over, maar de lamp gaat niet branden.
Waarom doet de lamp het niet? Onderzoeksvraag
De schakelaar is niet goed ingedrukt.

Lampje is stuk.

De schakelaar is stuk.

De stroom is in het hele dorp uitgevallen.

Hypothese 1

Hypothese 2

Hypothese 3

Hypothese 4

Nog een paar keer op en neer klikken. Experiment
Geen resultaat. Waarneming
Hypothese 1 = Niet juist. Conclusie
Lampje vervangen. Experiment
Er is weer licht! Waarneming
Hypothese 2 = wel juist.

Hypothese 3 = niet juist.

Hypothese 4 = niet juist.

Conclusie

Tijd om te oefenen!