3.1 Opdrachten

  1. Zuivere stof of mengsel? Geef hieronder aan of het materiaal een zuivere stof is of een mengsel. Denk eerst zelf logisch na, als dat niet lukt: zoek dan op Wikipedia.
    1. Olijfolie
    2. Suiker
    3. Natriumcarbonaat of soda
    4. Afwasmiddel
    5. Benzine
    6. Witte krijt
    7. Gekleurde krijt
    8. Aardgas

  2. Welk gedrag van moleculen speelt een rol in de volgende voorbeelden?
    1. Een ballon krimpt als je hem in de vriezer legt.
    2. Een plasje water droogt langzaam op.
    3. De banden van je fiets zijn harder als ze in de zon hebben gestaan.
    4. Het deksel van een pot bonen zit heel vast. Dat komt omdat de bonen heet waren toen het deksel is vastgeschroefd.
    5. Je ruikt een vers bemest weiland.

  3. Welke stofeigenschap gebruik je om het verschil te zien tussen de volgende stoffen?
    1. Het verschil tussen lood en ijzer.
    2. Het verschil tussen gepureerde bietjes en gepureerde wortels.
    3. Het verschil tussen een kleine komkommers en een verse augurk.
    4. Het verschil tussen glas en suikerglas.
  4. Geef de naam van het verschinsel dat in deze voorbeelden een rol speelt. Verklaar je antwoord, bijvoorbeeld: ik denk dat het hier om cohesie gaat, omdat ……
    1. Een boom transporteert water naar de blaadjes bovenin de boom.
    2. In een doorzichtige theekan zie je de thee onderin de kan zitten. Na een tijdje is de hele theekan gekleurd.
    3. Het duurt even voordat de geur van de verse pizza door het huis is gekomen.
    4. Je schenkt je beker melk te vol. Op de bovenkant van de beker zit een kop.
    5. Wie houdt er nu niet van zeepbellen blazen? Maar waarom blijft zo’n bel bestaan?