3.3 Opdrachten

Definitie en inzicht

  1. Waar of niet waar?
    1. Tijdens het smelten van een mengsel verandert de temperatuur niet
    2. Tijdens het smelten van een mengsel verandert de temperatuur van een van de stoffen niet
    3. Een zuivere stof bestaat uit een soort molekulen
    4. De temperatuur geeft aan hoe sterk moleculen elkaar aantrekken
    5. Een kooktraject is het volgen van een recept
    6. Moleculen zetten uit tijdens het koken; vandaar dat er damp uit een vloeistof komt als je die kookt

  2. Vul de missende gegevens in. Een groep gelijke moleculen beweegt enorm heftig. Vervolgens worden ze afgekoeld. Wat gebeurt er?
    • De moleculen bewegen …………, dus de temperatuur zal ……… zijn.
    • De moleculen worden afgekoeld, dus de beweging wordt ………
    • De beweging neemt …….. totdat de ……….. tussen de moleculen ook een rol gaat spelen.
    • De stof …………. en wordt …………
    • De beweging neemt nu verder ……… Dat zie je aan een afname van de ………..
    • De aantrekkingskracht wordt nu belangrijker. De stof wordt ……….

    Rekenopgaves. Gebruik de tabel uit de theorie.
    Overzicht van smelt- en kookpunte van een aantal zuivere stoffen.
    Overzicht van smelt- en kookpunten van een aantal zuivere stoffen.

  3. Stel vooraf een getallenlijn op. In welke fase zijn de volgende stoffen bij kamertemperatuur (20 °C)
    1. Kwik
    2. Zuurstof
    3. Chloroform
    4. Aceton
  4. In welke fase is de volgende stof?
    1. Keukenzout bij 900 °C
    2. Koolstofdioxide bij -70 °C
    3. Goud bij 1100 °C
  5. In welke fase is de volgende stof?
    1. Ijzer bij 1530 Kelvin.
    2. Helium bij -272 °C
    3. Lood bij 327 Kelvin
  6. Welke stof is het?
    1. Stof X smelt bij 1062 °C
    2. Stof y kookt bij 373 Kelvin
    3. Stof Z smelt bij 234 Kelvin