4.6 Proeftoets

  1. Bereken de frequentie:
    1. T= 4 seconden
    2. T = 4 milliseconden
    3. T = 4 uur
  2. Bereken de trillingstijd:
    1. f = 2 Hz
    2. f = 2 mHz
    3. f = 2 kHz
  3. 4 trillingen duren 0,128 seconden.
    1. Hoe lang duurt 1 trilling?
    2. Bereken de frequentie.
  4. Geluidssnelheden
    Figuur 4.2.6: Geluidssnelheden in verschillende stoffen.
  5. In Zwitserland (daar heb je bergen) staat een wandelaar op de top van een berg. Hij gilt en hoort een aantal echo’s. Echo A doet er 25 seconden over om bij hem te komen; Echo B doet er 18,3 seconden over om bij hem te komen.
    1. Bereken van iedere echo op welke afstand de echo is weerkaatst.
    2. Op een afstand van 300 meter is ook nog eens een rotswand. Hoe lang duurt het voordat hij deze echo hoort?
    3. Vervolgens slaat hij van plezier het uiteinde van zijn wandelstok (gemaakt van staal) tegen een grote kei. De wandelstok is 80 centimeter lang. Hoe lang duurt het voordat de trilling bij zijn hand is?
  6. Zie de afbeelding hiernaast.

    1. Bepaal de trillingstijd.
    2. Bereken de frequentie.
    3. Bepaal de amplitude.
  7. Hendrik blaast op een hondenfluitje. Hij hoort het geluid niet, zijn hond wel.
      Figuur 4.3.5: Gehoorgrenzen bij mens en dier.
      Figuur 4.3.5: Gehoorgrenzen bij mens en dier.

    1. Verklaar dit aan de hand van de figuur hiernaast.
    2. In welk frequentiegebied ligt de toon die het hondenfluitje maakt?
    3. Op het hondenfluitje staat “20 kHz”. Bereken de trillingstijd die daarbij hoort.
    4. Een ander hondenfluitje heeft een trillingstijd die twee maal zo groot is. Verklaar met een berekening of een hond deze frequentie wel of niet kan horen.

  8. Jessica fietst iedere dag naar school. Op maandag zet ze de muziek op haar koptelefoon op 82 decibel.
    1. Hoe lang mag Jessica op die manier naar muziek luisteren zonder gehoorschade op te lopen?
    2. De volgende dag zet ze haar muziek vier maal zo zacht. Welke geluidssterkte ontvangen haar oren nu?
    3. Op woensdag gebruikt Jessica geen koptelefoon, maar luistert ze naar de speaker die in haar telefoon zit. Haar telefoon zit op 32 centimeter afstand van haar trommelvlies. De koptelefoon zit op 2 centimeter afstand van haar trommelvlies. Beredeneer welke geluidssterkte haar oren ontvangen.
  9. Een stemvork (f = 200 Hz) met een punt eraan wordt over carbonpapier getrokken. Er is een patroon zichtbaar van 22 trillingen.
    1. Hoe lang heeft het schrijven van de trilling geduurd?
    2. Het patroon is 15,5 cm lang. Bereken de snelheid waarmee de trilling is geschreven.