4.3 Opdrachten

  1. Hoe gedragen de deeltjes in een vaste stof zich?
  2. Als de frequentie verandert, verandert de amplitude dan automatisch mee? Of hebben die twee dingen niets met elkaar te maken?
  3. Schrijf de zin over en vul de missende onderdelen in.
    1. Frequentie is het aantal ……………. per ……………. .
    2. Trillingstijd is het aantal ……………. per ……………. .
    3. Bij een kleine trillingstijd hoort een ………. Frequentie.
    4. Bij een lage frequentie hoort een ……….. trillingstijd.

Denkvragen

  1. Je broertje (of zusje) is aan het spelen met de lichtknop in zijn kamer. Iedere halve seconde zet hij het licht aan, en een halve seconde later weer uit. Schets de grafiek die daarbij hoort: zet horizontaal de tijd (tot 3 seconden) en verticaal of het licht brandt (maximaal) of niet (0).

Rekenopgaves

  1. Bereken de frequentie:
    1. Trillingstijd= 5 seconden
    2. Trillingstijd = 25 milliseconden
    3. T = 0,5 minuut.
    4. T = 24 uur.
  2. Bereken de trillingstijd:
    1. frequentie= 33 Hertz
    2. frequentie = 2,5 Hz
    3. f = 0,03 Hz
    4. f = 5 kiloHz

Verhaalopgaves.

  1. Bereken:Wat is de frequentie van het draaien van de aarde?
  2. Alle stopcontacten in Nederland leveren “wisselstroom”. Dat betekent dat ze geen vaste + of – hebben zoals een batterij. Plus en min worden continu omgewisseld met een frequentie van 50 Hz. Bereken hoelang een wisseling duurt.
  3. Een fietswiel met een omtrek van 1,25 meter legt een afstand van 27,5 meter af. Daar doet de fiets (waar het fietswiel aan vast zit) 6,25 seconden over. Bereken de trillingstijd en de frequentie van het fietswiel.
Opgave-1
Figuur 4.3.6: Figuur A
Opgave-1b
Figuur 4.3.7: Trilling B
  1. In figuur 4.3.6 en 4.3.7 zie je twee grafieken van twee trillingen. (klik op de afbeeldingen om te vergroten)
    1. Bepaal van Trilling A en van trilling B de trillingstijd.
    2. Bepaal van Trilling A en van trilling B de amplitude.
    3. Welke trilling heeft de grootste trillingstijd?
    4. Welke trilling heeft de grootste amplitude?
  2. Hieronder zie je een uitdraai van iemand die een hartslagmeter om heeft gehad. De breedte van 1 hokje op de tekening = 0,4 seconden.
  3. Figuur 4.3.8: Een electrocardiogram
      1. Hoeveel tijd is er tussen twee hartslagen verstreken? (=trillingstijd)
      2. Bereken hoeveel slagen het hart van deze persoon in 1 minuut geeft.
      3. Wat is de frequentie van het hart.
      4. Is deze persoon aan het sporten geweest?