5.2 Opdrachten

  1. Heb je de theorie gelezen? Of niet? Misschien kun je het zonder de theorie te lezen! Probeer het!
Om te onthouden:

  • 1 cm3=1 milliliter
  • 1 dm3= 1 liter
  • 1 m3 = 1000 liter
  1. Zet de volgende volumes om:
    1. 503 cm3 in liters
    2. 0,023 dm3 in cm3
    3. 5,067 m3 in liter
    4. 3,22 .105 dm3 in m3
    5. 2,5 ml in dm3
  1. Zet de volgende stroomsnelheden om:
    1. 5    ml/seconde    in    ml/minuut
    2. 22,5  ml/minuut    in    ml/seconde
    3. 8,72 ml/seconde   in  liter/uur
    4. 3,9 . 10-3 liter/uur in liter/minuut
  1. Door de Rijn stroomt in Nederland iedere seconde zo’n 2900 m3/seconde.
    1. Bereken de hoeveelheid water die ieder uur door de Nederlandse Rijn stroomt.
    2. Zal de stroomsterkte van de Rijn in Zwitserland groter of kleiner zijn dan de stroomsterkte in Nederland? Verklaar je antwoord!
    3. In Nederland stroomt de rijn met een snelheid van ongeveer 5 kilometer per uur. In Duitsland kan de Rijn snelheden aannemen van 20 kilometer per uur. Probeer dit te verklaren.
    4. Is er een verschil tussen stroomsnelheid en stroomsterkte? Verklaar je antwoord!
  1. Een aantal kranen staan open. Door kraan A stroomt 5 ml/sec. Door kraan B stroomt 0,05 liter/minuut. Door kraan C stroomt 0,5 liter in een half uur. Door kraan D stroomt 50 liter per uur.
    1. Maak een tabel waarin je de gegevens overzichtelijk organiseert.
    2. Sorteer de kranen in oplopende stroomsterkte.