5.3 Opdrachten

  1. Zet de volgende eenheden om.
    1. 500 milliampere = … Ampere
    2. 22 Ampere = …  kiloAmpere
    3. 0,322 kA = … Ampere
    4. 72,2 mA = … Ampere
    5. 125 000 mA = … kA
    6. 8,8 A = … mA
  1. Zie het stroomschema hieronder. Bereken de stroom op plek A, B, C en D.5.3opgave20
  1. Zie het stroomschema hieronder. Sorteer de stromen op plek A tot en met G in oplopende stroomsterkte.53-opgave-21-1
  1. Teken een stroomschema waarin door lampje A de hoofdstroom (1,5 A) loopt, lampje B krijgt een deelstroom en kan worden aan- en uitgezet met een tuimelschakelaar. Lampje C moet altijd blijven branden en ontvangt 1,0 Ampere.
  1. In een huis wordt de afwasmachine aan gezet (200 ml/sec), er staat iemand te douchen (0,075 L/sec), de wasmachine staat aan (2 l/min) en iemand zet de kraan open voor een glaasje water (40 ml/seconde).
    1. Bereken de hoofdstroom die het huis binnenkomt

Op een gegeven moment vraagt zowel de afwasmachine als de wasmachine geen water meer. Ook het glas water is vol, dus die kraan wordt ook gesloten.

    1. Bereken opnieuw de hoofdstroom.
    2. Even later trekt iemand de wc door. Dan wordt de hoofdstroom in het huis 200 ml/sec. Bereken de stroomsterkte die de WC vraagt.
  1. Tijdens het EK in 2010 voetbalde Nederland tegen Denemarken. Het waterleidingbedrijf Oasen maakte een grafiek van het watergebruik op die bewuste dag:
    Verticaal: Waterverbruik op 14 Juni 2010. Verticaal zie je het waterverbruik in m3 per uur. Horizontaal de tijd.
    1. Waarom is de eenheid van de verticale as in m3/uur, terwijl de horizontale as iedere 5 minuten een streepje heeft?
    2. Waarom wordt er aan het begin van de dag veel meer water gebruikt dan in de rest van de dag?
    3. Wanneer startte de voetbalwedstrijd?
    4. Wanneer was het pauze?
    5. Wanneer eindigde de voetbalwedstrijd?