5.5 Proeftoets

  1. Hoeveel seconden is…
    1. 0,5 uur
    2. 2 minuten
    3. 1,5 minuut
    4. 1,35 minuut
    5. 135 milliseconden
  1. Zet om:
    1. 20 kA = … A
    2. 54 mA = … A
    3. 5400 mA = … kA
    4. 0,884 kA = … mA
  1. Zet om:
    1. 5 ml/minuut -> liter/uur
    2. 0,45 L/uur -> kL/dag
    3. 84 cm3/min -> dm3/uur
  1. proeftoetsZie de figuur hiernaast. De stroom door A is 2,7 A. De stroom door B is 1,3 A. Bereken de stroomsterktes door C, D, E en F.
  1. De lege batterij van een laptop wordt opgeladen. Je merkt dat de oplader en de batterij warm worden. Als de batterij volledig gevuld is, is er 1,71.105 Joule in opgeslagen.
    1. Welke energie omzetting vindt plaats tijdens het opladen van de batterij?
    2. Schets het energiestroomdiagram!

Het stopcontact heeft in totaal 210 kJ energie geleverd aan de oplader.

    1. Bereken het rendement.
  1. Zomertijd, dus: waterballonnen! Hiernaast zie je een paar kinderen die honderd waterballonnen in een minuut vullen. Althans, dat staat op de verpakking…..
    1. In een waterballon past gemiddeld 0,13 dm3. Hoeveel liter water moet er in totaal aan de ballonnen worden toegevoerd?
    2. Bereken de stroomsterkte (in ml/sec) die nodig is voor het vullen van 1 ballon.
    3. Bereken de stroomsterkte (in L/sec) in de tuinslang.
  1. In een stroomkring zit een weerstand: “R”, twee lampen: “L1” en “L2“, een schakelaar en 2 ampère meters die de deelstromen door de lampen meten. Door de weerstand stroomt de hoofdstroom. Teken de schakeling.
  1. Op een gasfornuis wordt gekookt. De grote pit verbruikt 0,4 dm3/min. De kleine pit verbruikt 1,67 cm3/sec, de oven verbruikt 30 dm3/uur.
    1. Welke energieomzetting vindt plaats?
    2. 2% van het aardgas wordt omgezet in licht. Wat is het rendement?
    3. Bereken de stroomsterkte door de gasleiding die het huis binnenstroomt als er verder geen gas verbruikt wordt in het huis.