6.4 Opdrachten

  1. Begrijp je de tekst? Laat maar zien dan!
  1. Je staat op een stoel. Jouw massa is 40 kilogram, de massa van de stoel is 5 kilogram.
    1. Bereken jouw gewicht en het gewicht van de stoel.

    Je staat stil op de stoel. De stoel stort dus niet in.

    1. Hoeveel zwaartekracht werkt er op de vloer?

jochieopschommel

  1. Je broertje zit (stil) op de schommel. Hij weegt 30 kilogram. Zie de afbeelding hiernaast.
    1. Neem de tekening hiernaast over en teken de zwaartekracht.
    2. Teken ook de krachten in de twee touwen.
  1. Zie afbeelding. Een magneet zweeft boven een andere magneet. Het gewicht van beide magneten is 5 Newton.
    1. Wat is de nettokracht op de bovende magneet?
    2. Hoeveel kracht oefent de bovende magneet uit op de onderste magneet?
    3. Hoeveel kracht werkt er op de tafel waar de magneten op staan?
  1. Je zit op de fiets. Je begint met trappen.
    1. Verandert je snelheid?
    2. In welke richting werkt dus een somkracht?
  2. Plotseling moet je remmen.

    1. In welke richting werkt de somkracht nu?

driehoek

  1. Stelling van pythagoras. Gegeven is een driehoek ABC. Hoek B is 90°.
    1. Bereken AC als AB = 4 en BC = 5.
    2. Bereken BC als AC = 7 en BA = 3.
    3. Bereken AB als AC = 23 en BC = 2. Schets de situatie.
  1. Stelling van pythagoras – deel 2. Twee krachten, FA en FB werken onder een hoek van 90°.
    1. Bereken Fsom als FA=200 N en FB= 5 Newton.
    2. Bereken Fsom als FA=100 N en FB= 5 kiloNewton
    3. Waarom kies je er in deze situaties niet voor om een vectordiagram te tekenen?

Moeilijkere opgaves

hanglamp

  1. Een lamp hangt aan een koord. De lamp hangt stil. Zie afbeelding. Schaal: 1 hokje = 15 N.
    1. Neem de figuur over.
    2. Bereken de massa van de lamp.

    Vervolgens trek je de lamp opzij, met een kracht van 15 Newton. De lamp hangt dan weer stil.

    1. Teken de kracht van je hand in tekening C.
    2. Teken de somkracht van de zwaartekracht en de kracht van je hand in tekening C.
    3. Teken de kracht in het koord waar de lamp aan hangt. (De lamp hangt stil!).
    1. Je bent 2 honden aan het uitlaten: Spike en Raccoon. Natuurlijk rennen beide honden direct een andere kant uit. Spike trekt met 20 Newton naar oosten, Raccoon trekt met 25 Newton naar het noorden. Ze slepen je weg.
      1. Maak een vectortekening van de situatie. Teken de richting waarin je wordt meegesleept.
      2. Bereken de grootte van de somvector.
      3. Controleer je berekening met je tekening.

      Honden moeten luisteren naar hun baasje, dus je probeert weer tot stilstand te komen.

      1. Moet je nu harder trekken dan de somkracht van de honden?

      Uiteindelijk kom je tot stilstand. De honden blijven trekken.

      1. Teken de kracht die je hand uitoefent.

      slee

      1. Een slee wordt voortgetrokken door Erik en Ismael. De schaal van de afbeelding is 1 hokje=15 Newton. Zie afbeelding.
        1. Neem de figuur over.
        2. Bepaal de kracht die Erik en Ismael uitoefenen.
        3. Teken de somkracht van Erik en Ismael.

        De slee beweegt met constante snelheid.

        1. Teken de wrijvingskracht.
      1. Bungeejumpen! je staat bovenop een kraan met een bungeekoord aan je benen. Tegen beter weten in spring je.
        1. Als je net springt, welke krachten werken er dan op je?
        2. Na korte tijd begint het touw uit te rekken. Werkt de somkracht nu omhoog, of omlaag?

        Onderaan hang je even stil voor je weer omhoog beweegt.

        1. Wat is de somkracht nu?

        Vervolgens beweeg je weer omhoog. Uiteindelijk hangt het koord slap.

        1. Werkt de somkracht nu omhoog, of omlaag?
        2. Wat betekent dat voor je snelheid?